Variabelen zijn een manier om gegevens op te slaan in je programma. Je kan een variabele zien als een soort naam voor een waarde. Deze waarde kan bijvoorbeeld een getal of tekst zijn. Je gebruikt variabelen zodat je gegevens later opnieuw kunt gebruiken in je code. Je maakt een variabele door een naam te bedenken, gevolgd door een = teken en de waarde. De computer onthoudt deze waarde zolang het programma draait. Als je later in de code opnieuw de variabelen met een =-teken erachter gebruikt, zal dat het nieuwe gegeven zijn wat de computer onthoud. Variabelen maken je code overzichtelijker en makkelijker aan te passen. Let op: Als je een variabelen wilt printen, moet de variabele niet tussen haakjes. Als je een variabelen wilt printen met tekst erom heen, moet je eerst een komma plaatsen tussen de tekst en variabelen. Let op: Een variabelen moet altijd hetzelfde geschreven zijn ook met hoofdletters. ‘Python’ is niet hetzelfde als ‘python’. Ook als er cijfers in staan moet je die overal op de juiste plek zetten.

Lists (lijsten) zijn een manier om meerdere waarden in één variabele op te slaan. Dit is handig als je met meerdere gegevens tegelijk wilt werken, zoals een lijst met namen of getallen. Een list maak je door waarden tussen vierkante haakjes te zetten, gescheiden door komma’s. Je kan een specifiek element uit de list halen door een nummer te gebruiken. Het eerste element heeft altijd nummer 0. Lists zijn handig om gegevens te ordenen en te hergebruiken.
Let op: Als je een list of een deel van de list wilt printen, moet de list niet tussen aanhalingstekens.

input() is een functie waarmee je de gebruiker iets kunt laten invoeren via het toetsenbord. De invoer die de gebruiker geeft, kan je opslaan in een variabele zodat je die later kunt gebruiken. Je gebruikt input() door eerst input te schrijven, gevolgd door haakjes. Tussen de haakjes kan je een vraag of tekst zetten die de gebruiker ziet. Alles wat de gebruiker invoert, wordt opgeslagen als tekst. input() wordt gebruikt om je programma interactief te maken. Net zoals bij print, moet de tekst tussen aanhalingstekens staan als het letterlijk geprint moet worden. Je kan met input() ook dingen toevoegen aan een lijst. De variabelen met het nieuwe woord moet dan tussen vierkante haken staan.

Voorbeeld:

naam = input("Wat is jouw naam?")
print("Hallo", naam)

fruit = [aardbei, banaan, meloen, kiwi]
print(fruit[0])

naam = [Lisa, Sem, Noah]
print(naam)

namen = []
naam = input("Voer een naam in: ")
namen = namen + [naam]
print(namen)

Opdracht:

Laat de gebruiker een lijst maken met kleuren en laat hem vervolgens een kleur kiezen uit een lijst met die kleuren en print vervolgens de gekozen kleur op het scherm.

Je hebt hierbij input, lists en variabelen nodig. Heb je die allemaal gebruikt? Let je ook nog op dat er geen spelfouten in staan.

Eerst moet je een lijst maken en zorgen dat iemand daar iets uit kan kiezen. Vervolgens moet je die kleur nog een keer printen. Dat de woorden genummerd zijn vanaf 0.

kleur = [zwart, blauw, geel, groen, rood]
Print(kleur)
keuze = input("Welke kleur kies jij?")
Print("Jij hebt gekozen voor", keuze)

Andere kleuren of andere namen voor variabelen is ook goed, maar je moet wel de alleen de kleur op je scherm hebben die de persoon heeft gekozen. 

Extra opdrachten:

  1. Vraag de gebruiker naar zijn favoriete kleur en print een zin waarin je daarop reageert.
  2. Maak een lijst met dieren, de dier gekozen zijn door de gebruiker. Print vervolgens die lijst.

Voor opdracht 1: Hierbij heb je de variabelen, print() en input() nodig. Let je er ook op dat je nergens een spelfout hebt gemaakt. Kijk goed waar je de komma’s en de aanhalingstekens hebt gezet.

Voor Opdracht 2: Het is een lange code. Hierbij heb je de variabelen, input(), list en print() nodig. Eerst moet je alle dieren weten die de persoon wil toevoegen.

Voor opdracht 1: Om te weten wat de favoriete kleur is moet je dat vragen aan de persoon. Hiervoor gebruik je een input(). Vervolgens reageer je daarop met een zin. de variabelen moet niet tussen aanhalingstekens staan. De rest moet wel tussen aanhalingstekens.

Voor opdracht 2: Met input() kan je erachter komen welke dieren de persoon wilt toevoegen. Die kan je op dezelfde manier als print invoegen in de list. Let erop dat er geen spelfouten inzitten en dat je variabelen overal hetzelfde geschreven zijn.

Opdracht 1:
kleur = input("Wat is jouw favoriete kleur?")
print("Oh", kleur, "is een hele mooie kleur!")

Opdracht 2:
print("Typ een dier:")
dier1 = input()
print("Typ een dier:")
dier2 = input()
print("Typ een dier:")
dier3 = input()
dieren = [dier1, dier2, dier3]
print("De dieren in jouw lijst zijn:", dieren)

De namen van de variabelen mag je aanpassen, want die zie je niet op het scherm. Als je een andere manier hebt, maar er komt hetzelfde uit is dat ook goed. Er zijn nog snellere kortere maniere waarop je dit kunt doen, heb je wel nog iets anders nodig dat heet if en else.